Katten

Allergie

Allergieklachten van een kat zijn grotendeels vergelijkbaar met die van een hond. De mogelijkheden voor diagnostiek bij de kat zijn beperkter dan bij de hond.

Lees verder

Ook bij de kat kunnen we een voedselallergie aantonen door een verandering van de voeding. Een voedselallergie uit zich vaak door vervelende, kapotte, kale plekken aan kop en hals, waar ze veel jeuk aan hebben. Als de voeding niet de oorzaak is, speelt er iets anders, de atopie, maar daar is bij de kat nog steeds geen betrouwbare allergietest voor.

Bij katten kunnen we ook nog Sporimune (ook wel bekend onder de naam Atopica) inzetten, dit is een cyclosporine wat de huidklachten veroorzaakt door de jeuk onderdrukt. Waar we bij katten wel alert op moeten zijn, is een vlooienallergie. De beet van 1 vlo kan zodanig jeuk geven dat de kat zich voornamelijk op de rug kaal likt, ook voel je dan allemaal korstjes. Een goede vlooienbehandeling is dan zeker erg belangrijk.

Blaasontsteking

Plasproblemen komen bij katten regelmatig voor. Deze kunnen door lichamelijke oorzaken voorkomen maar psychische problemen zorgen ook voor onzindelijkheid. Bij dit laatste moet je denken aan stress, waardoor de kat naast de bak gaat plassen. Bijvoorbeeld op de mat voor de deur om een territorium af te bakenen. Ook bij een blaasontsteking kunnen katten onzindelijk worden maar dan gaan ze vaak op meerdere plaatsen in huis plassen.

Lees verder

Naast onzindelijkheid gaan katten met een blaasontsteking meestal vaker naar de bak, ze doen kleine plasjes en soms zie je daarbij bloed. Zeker bij jonge katten wordt een blaasontsteking zelden veroorzaakt door een bacterie. Ook bij katten willen we graag urine hebben voor onderzoek. Urine opvangen bij katten kan erg lastig zijn. We hebben daarvoor plastic kattenbakkorrels die de urine niet opnemen. Met een bijgeleverd pipetje zuig je de urine op. Omdat bacteriën vaak geen rol spelen bij blaasontsteking van de kat, geven we in eerste instantie geen antibioticum. Wel zetten we katten met plasklachten op een pijnstillende ontstekingsremmer; Metacam.

Blaasgruis is vaak een oorzaak van de blaasontsteking, dit kunnen we in de urine aantonen. Bij blaasgruis wordt de kat op een blaasdieet gezet om het gruis op te lossen en te voorkomen dat het opnieuw gevormd wordt. Zeker bij katers kan blaasgruis een propje vormen in de urineleider waardoor de kat niet meer kan plassen. Dit is een spoedgeval. De kat wil steeds plassen, gaat in de plashouding zitten maar er komt geen urine of slechts enkele  druppels. Vaak mauwen ze daarbij en zijn pijnlijk aan de buik. Als ze langer niet kunnen plassen, worden ze ziek, willen niet eten, gaan soms braken. De blaas wordt steeds voller en dit geeft druk op de nieren. Bij een obstructie moeten we katers altijd katheteriseren om de verstopping op te lossen. De katheter blijft 3 dagen zitten zodat al het gruis eruit kan. Afhankelijk van of er sprake is van wel of geen (tijdelijke) nierschade - dit onderzoeken we door middel van bloedonderzoek - leggen we ook een infuus aan om de kat te spoelen. Na 3 dagen mag de katheter eruit en moet de kat op een blaasgruisvoorkomend dieet. Let op bij blaasdiëten van de dierenwinkel; deze zijn niet hetzelfde als diëten van de dierenarts. Vaak zien we dat de klachten op een dieet van de winkel na korte of langere tijd weer terugkomen.

Als de klachten na een behandeling met Metacam niet weggaan of snel terugkomen, stellen we altijd verder onderzoek voor. Dit bestaat vaak uit het steriel aanprikken van de blaas. Bij steriele urine kunnen we onderzoeken of er misschien tot een bacterie een rol speelt, dit zien we vaker bij oudere katten, en zo ja, voor welke antibiotica deze gevoelig is. Een echo van de blaas of een röntgenfoto gebruiken we om ‘in’ de blaas te kijken om te zien of er sprake is van blaasstenen. Op een echo kunnen we stenen zien en ook kunnen we dan beter naar de blaaswand kijken om te controleren op poliepen of tumoren. Ook bij de katten is chirurgie de enige therapie om blaasstenen te verwijderen.

Bij aanhoudende klachten en indien alle mogelijke fysieke oorzaken zijn uitgesloten, is er zeer waarschijnlijk sprake van gedragsproblemen. Er zijn verschillende zaken waarop u kunt letten:

  • Voldoende en schone kattenbakken, die op een rustige plaats staan.
  • De plekken waar de kat plast, schoonmaken met een neutraal schoonmaakmiddel, bijvoorbeeld groene zeep.

Feliway is een verdamper die feromonen verspreidt. Katten worden hier rustiger en gelukkiger van en het kan bij stress zeker helpen.

Bloeddruk

Een verhoogde bloeddruk is een veel voorkomend probleem bij de senior kat ( 8+). Vaak merken we in eerste instantie niet veel aan de kat, maar ze kunnen er wel degelijk last hebben. Uiterlijk zien we niet veel veranderingen, maar katten kunnen bijvoorbeeld plotseling blind worden of hebben een bloeding in het oog. Soms lijken ze een hersenbloeding te hebben gehad of hebben ze evenwichtsstoornissen. En vaak zijn ze wat slomer of depressief en trekken ze zich terug. Men vermoedt dat ze wel degelijk hoofdpijn kunnen hebben.

Lees verder

Bij elke hartslag pompt bloed vanuit het hart de slagaders in. Dit gebeurt bij een rustige kat 120-180 keer per minuut (hart of polsslag). De bloedvaten worden bij zo'n hartslag  maximaal opgerekt en deze maximale druk op de slagader noemen wij de systolische druk of de bovendruk. Als deze druk op de bloedvaten te hoog is, kunnen er bloedingen in het lichaam ontstaan, of er ontstaat schade in de organen die de hoge druk te verwerken krijgen.

 De normale systolische bloeddruk bij de kat ligt tussen de 120-160 mmHg, gemeten bij een normale polsslag van maximaal 180 x per minuut.

  • 160-180 mmHg is een licht verhoogde bloeddruk
  • 180-200 mmHg is een matige verhoogde bloeddruk
  • Boven 200 mmHg is een te sterk verhoogde bloeddruk.

Hoe komt een kat aan een te hoge bloeddruk

  • Vaak een onbekende oorzaak
  • Katten die al een slechte nierfunctie hebben, ontwikkelen bovendien sneller een hoge bloeddruk (en die is weer slecht voor de nierfunctie, waardoor een vicieuze cirkel ontstaat)
  • Katten met een te snel werkende schildklier ontwikkelen vaker een hoge bloeddruk
  • Slechte functie van de bijnier (te hoge productie van aldosteron).

Bloeddrukmeting: hoe doen we dat praktisch?

 Na een eerder consult bij de dierenarts is er een probleem geconstateerd wat verband kan houden met een te hoge bloeddruk; dit kan bijvoorbeeld nierfalen, hartfalen, schildklierproblemen, of blindheid zijn.

 Er wordt een vervolgafspraak gemaakt op een rustiger moment om stress en te hoge bloeddruk bij uw kat te vermijden.

 Uw kat mag vaak in zijn/haar eigen mandje blijven zitten; daarin zijn ze rustiger en meer ontspannen.

 Rond één van beide voorpootjes wordt een cuff gedaan waarin de sensor zit die de bloeddruk meet. De cuff wordt, net zoals bij mensen, opgepompt en langzaam leeggelaten. Dit vinden katten een raar gevoel, maar ze wennen er meestal snel aan. Deze meting herhalen we een aantal keer totdat we een mooie stabiele meting hebben.

 Medicijnen bij te hoge bloeddruk

 Eerst en vooral gaan we waar het mogelijk is, de onderliggende oorzaak behandelen.

De medicijnen die we daarna meegeven, zijn bedoeld om de bloeddruk te verlagen. Helaas, als er eenmaal schade aan het netvlies van het oog is, of als de nieren reeds teveel beschadigd zijn, kunnen we deze met de bloeddrukverlagende medicijnen niet meer volledig herstellen. De medicijnen zijn vooral bedoeld om verdere schade als gevolg van de hoge bloeddruk aan hart, ogen, nieren in de toekomst te beperken. Het is dus van groot belang om er zo snel mogelijk achter te komen of de bloeddruk van uw kat te hoog is. Als uw kat eenmaal medicijnen krijgt, gaan we na 1 week de bloeddruk controleren. De reactie op de medicijnen is per kat nogal verschillend, en soms zijn meerdere controles nodig, maar vaak gaat het meteen goed. Katten met een hoge bloeddruk kunnen nog jaren gelukkig leven als de medicijnen goed gereguleerd zijn en als de onderliggende ziekte(n) controleerbaar zijn!

Castratie/sterilisatie

Sterilisatie of castratie poes 
Het onvruchtbaar maken van een poes door middel van chirurgisch ingrijpen wordt in de volksmond vaak ‘sterilisatie’ genoemd. Bij sterilisatie worden echter de eileiders alleen onderbroken. De eierstokken blijven zitten en het dier is dus nog hormonaal actief.  Bij de poes wordt bijna altijd gekozen voor het verwijderen van de eierstokken. Castratie is dus eigenlijk het juiste woord voor deze operatie.

Castratie van de kater 
De kater is geslachtsrijp op de leeftijd van 6-7 maanden. Wij adviseren daarom om de kater rond deze leeftijd te laten castreren. Mocht de kater eerder in huis gaan plassen en/of sproeien, dan is het beter om de kater direct te laten castreren. Anders kan de kat het sproeigedrag aanleren en in 5% van de gevallen kan de sproeiende kater blijven sproeien ondanks de castratie. 

Sterilisatie/castratie poes

Waarom adviseren wij castratie?  
Vanaf een leeftijd van 4-9 maanden wordt een poes geslachtsrijp en wordt ze krols, gemiddeld elke 2-3 weken, van het vroege voorjaar tot het najaar. Tijdens de krolsheid vertoont een poes meestal ander gedrag, ze is aanhaliger en houdt bij het aaien vaak haar achterste in de lucht met de staart opzij, mauwt luider en kan weglopen om een kater op te zoeken.  

Als u geen nestje wilt, wordt castratie geadviseerd rond de leeftijd van 6 maanden. Dit voorkomt krolsheden, ongewenste dracht en baarmoederontstekingen. Ook hebben poezen die op jonge leeftijd geholpen zijn een veel kleiner risico op het ontwikkelen van melkkliertumoren.  

Er bestaan ook medicamenteuze behandelingen om de hormonale cyclus te onderdrukken (de zogenaamde poezenpil). Het gebruik hiervan heeft nadelen omdat dit het risico op bijwerkingen juist verhoogt (zoals melkkliertumoren, suikerziekte en baarmoederontsteking). Beter is dus om chirurgisch in te grijpen.  

Een nadeel van castratie is dat poezen wat dikker kunnen worden, de energiebehoefte neemt namelijk flink af. Er wordt daarom geadviseerd uw kat na castratie minder voer te gaan geven, of over te gaan op caloriearme voeding. Regelmatig wegen, helpt om het gewicht in de gaten te houden.  

Hoe gaat de castratie in zijn werk?  
Op de afgesproken tijd brengt u de poes nuchter;  dat wil zeggen: vanaf de avond ervoor 18.00 uur geen eten, maar drinken mag wel. Ze krijgt een plekje in de opname tot ze aan de beurt is. Eerst wordt een pre-anesthetisch onderzoek gedaan, waarbij in elk geval naar het hartje en de longen worden geluisterd. Als alles in orde is, geven we een narcoseprikje en als ze slaapt wordt een stuk van de buik geschoren, gewassen en steriel gemaakt (om haar klaar de maken voor de operatie). Ook worden de oogjes gezalfd om ze te beschermen tegen uitdroging.  

De ingreep zelf houdt in dat er een klein sneetje wordt gemaakt in de buik, om de eierstokken te kunnen verwijderen. Bij een afwijkende baarmoeder zal de dierenarts er ook voor kiezen deze ook weg te halen. Daarna wordt de buikwand en de huid gehecht.

Als ze weer wakker is, kan ze mee naar huis, thuis kan ze nog wat suf zijn van de narcose. Voor de genezing van de wond is het verstandig de poes een aantal dagen binnen te houden.  Mocht ze de wond overmatig gaan likken dan kan een kraag of petshirt (rompertje) nodig zijn. Eventuele buitenwaartse hechtingen kunnen worden verwijderd na 10-14 dagen.

Castratie kater

De voordelen van castratie zijn: 

  •  Minder kan op sproeien of plassen in huis
  • Minder sterke urinegeur
  • Minder drang van de kater om buiten te gaan zwerven en daardoor minder kans op vechten met andere katten
  • Geen kans meer op ongewenste kittens.

Een nadeel is dat de kater dikker kan worden. De energiebehoefte neemt gemiddeld ongeveer 30% af na castratie terwijl ze gemiddeld méér eetlust hebben. U kunt voorkomen dat hij zwaarder wordt door wat minder eten te geven na castratie of op calorie-arme voeding over te gaan en de kat af en toe te wegen ter controle.   

Hoe gaat een castratie in zijn werk?  
U kunt een afspraak maken wanneer de castratie gaat plaatsvinden. U brengt de kater nuchter (dat wil zeggen vanaf de avond ervoor 18.00 uur geen eten geven, maar drinken mag wel) en hij krijgt een plekje bij ons in de opname tot hij aan de beurt is.

Voor de operatie doen we een pre-anesthetisch onderzoek waarbij we in elk geval het hart en de longen beluisteren. Ook wordt nagevoeld of beide balletjes zijn ingedaald. Als alles in orde is, geven we een narcoseprikje.  Zodra hij slaapt, krijgt hij pijnstiller en zo nodig een antibioticum-injectie. De ogen worden gezalfd om te voorkomen dat ze uitdrogen. 

De ingreep zelf houdt in dat er 2 sneetjes worden gemaakt om de balletjes te verwijderen, de zaadstreng en bloedvaten worden afgebonden. Hechtingen zijn doorgaans niet nodig. Na de castratie kan hij dezelfde dag weer naar huis. Wel kan hij nog een beetje suf zijn na de narcose.  U krijgt op de dag zelf informatie mee van de assistente over de nazorg.

Nieuwe kitten

Een nieuwe kitten…en nu?

Op 8-9 weken leeftijd is een kitten oud genoeg om vanuit het vertrouwde nest naar een nieuwe eigenaar te gaan. Normaal gesproken heeft de fokker heeft voor u al een aantal keer de kittens ontwormd. Uw kitten zit op het moment dat u hem krijgt in de socialisatie-fase; uw kat maakt deze door tussen 7 en 14 weken leeftijd.

Dit is een heel belangrijke periode in het leven van het kitten. In deze periode maken ze kennis met alles en iedereen en zijn nieuwsgierig en onderzoekend. Voor het opbouwen van de sociale band tussen eigenaar en kitten is het goed om samen te spelen. Vanaf de leeftijd van 12 weken wordt het sociale spel met eigenaar en/of andere katten steeds minder en spelen ze meestal alleen nog met speeltjes.

Lees verder

Eerste bezoek aan de dierenarts

Op 9 weken leeftijd is het tijd voor uw kitten om zijn eerste vaccinatie en ontworming te krijgen. Ook vindt de gezondheidscontrole op dit moment plaats. 

Wij kijken onder andere naar:

  • het gebit
  • de oren (vooral oormijt zie je nog wel eens bij kittens)
  • er wordt naar hart en longen geluisterd
  • de buik wordt nagevoeld en gecontroleerd of er geen navelbreuk aanwezig is
  • de vacht wordt gecontroleerd op parasieten zoals vlooien
  • het gewicht van de kat wordt gemeten
  • de voeding van uw kitten wordt besproken

 De 2e vaccinatie

Op 12 weken leeftijd krijgt uw kitten de 2e vaccinatie. Dit is de laatste vaccinatie die de kitten op jonge leeftijd krijgt. Hier wordt u kitten nogmaals ontwormd en krijgt u ontwormingstabletten mee voor het komende jaar (zie ontwormingsschema).

 Vaccinatieschema

  • 9 weken grote cocktail (katten- en niesziekte)
  • 12 weken weken grote cocktail (katten- en niesziekte)
  • 1 jaar grote cocktail (katten- en niesziekte)
  • vervolgens jaarlijkse vaccinatie (katten- en niesziekte of alleen niesziekte)

Ontwormingsschema

  • 4 weken
  • 6 weken
  • 8 weken
  • vervolgens elke maand tot 6 maanden leeftijd
  • vanaf 6 maanden elk kwartaal ontwormen
     

Chippen

Wij raden aan uw kitten op jonge leeftijd te laten chippen. Er wordt onderhuids een zeer kleine chip ingebracht met een uniek nummer. Dit nummer wordt gekoppeld aan uw adres en telefoonnummer. Als u kat wegloopt en gevonden wordt, wordt deze vaak aangeboden bij een asiel, dierenambulance of dierenarts. Zij kunnen de chip aflezen en binnen 5 minuten zijn uw gegevens bij de hand. Op die manier is uw kat razendsnel terecht en hopelijk ook weer snel bij u!

 Voer

Kittens eten in het begin meerdere keren per dag en als ze ouder worden, wordt de frequentie langzaam lager. Als richtlijn geldt voor het aantal maaltijden per dag voor een kitten:

·         vanaf 8-9 weken leeftijd:            4x daags

·         vanaf 3 maanden leeftijd            3x daags

·         vanaf 6 maanden leeftijd:          2x daags

Wij adviseren om uw kitten kittenvoer te geven. Het is het beste om de eerste dagen het voer te geven dat de fokker aan uw kitten gaf. Gedurende 1 week mengt u het kittenvoer dat u wilt gaan geven met het voer van de fokker, zodat de voerovergang zo geleidelijk mogelijk verloopt. Het mooiste is als u een afbouwschema voor de verhoudingen maakt (eerst 4:1, dan 3:1, vervolgens half-om-half etc.). Als u te snel een voerverandering doorvoert kan er diarree ontstaan. Volgens ons zijn de twee A-merken wat betreft hondenvoer Royal Canin en Hill’s. Droogvoer is voor de kat het beste om te geven, natvoer is in principe niet nodig. Bovendien zorgt droogvoer ervoor dat de er minder tandsteen ontstaat.

 Tanden poetsen

Tandenpoetsen bij de kat vermindert de kans op tandsteen en daardoor ook tandvleesontsteking. Oefen dit poetsen door met een gaasje om uw vinger over de tanden en het tandvlees van de tanden en kiezen te gaan. Het liefst elke dag, maar minimaal twee maal per week. Bij de dierenarts kunt u speciale tandenpoetssetjes en mondwater kopen. Katten hebben een speciale tandpasta en kunnen dus niet met de tandpasta voor mensen de tanden poetsen.

 Vlooien en de bestrijding hiervan

De moederpoes en de kittens kunnen nog wel eens last hebben van vlooien. Soms zijn er vlooien op de kat zonder dat u dit merkt als eigenaar. Als er veel vlooien zijn kan dit zelfs gevaarlijk zijn voor kleine kitten, omdat vlooien bloedzuigen en bloedarmoede hierdoor op kan treden! Wij adviseren daarom om elke maand (ook in de winter) een ontvlooiingspipet in de nek van de kat te doen. Wij hebben goede ervaringen met Vectra. Helaas horen we (te) vaak dat ondanks de behandeling de dieren vlooien houden en ze dus niet worden gedood door het middel. U kunt ons altijd om advies vragen welk middel een goede keuze is.

 Sterilisatie of castratie

Als een poes ouder is dan 6 maanden dan kan ze gesteriliseerd worden. Een poes wordt voor de eerste keer krols tussen de 6 maanden en 1 jaar. U kunt uw kat laten steriliseren ondanks het feit dat ze op dat moment krols is. Op deze manier zorgt u ervoor dat uw kat niet ongewenst drachtig/zwanger wordt.

Wanneer u kat wordt gesteriliseerd, wordt er een klein sneetje in de buik gemaakt en worden de eierstokken verwijderd. De baarmoeder laten we in principe zitten, behalve als blijkt dat deze ontstoken is. Vervolgens wordt het sneetje gehecht (waar onder de huid) en mag de kat ’s middags weer naar huis. Herstel bij katten is vaak verrassend snel en na 2-3 dagen is de kat meestal weer de oude.

Katers kunnen gecastreerd worden vanaf 6-7 maanden leeftijd in de kliniek. Ongecastreerde katers gaan in huis sproeien om hun territorium af te bakenen. Als uw kater eerder begint te sproeien in huis, is de kat reeds in de puberteit en kan hij meteen worden gecastreerd.

 Dierenverzekering

Wij adviseren om uw huisdier te verzekeren. Op deze manier komt u niet voor onaangename verrassingen te staan mocht er onverhoopt iets gebeuren met uw kat. Sommige operaties kunnen erg veel geld kosten en met een verzekering kunt u zich hier tegen indekken. Wij hebben goede ervaringen met Petplan en Proteq. Lees goed de voorwaarden van de verschillende pakketten door, zodat u een keuze maakt die bij u en uw kat past.

Nierfalen

De nieren spelen een zeer belangrijke rol in het lichaam. Ze zorgen onder andere voor de regulering van de vochtbalans in het lichaam, ofwel ze geven aan hoeveel een kat of hond moet plassen en dus moet drinken. Verder filteren de nieren het bloed, waardoor afvalstoffen uit het bloed verwijderd worden en uitgescheiden worden in de urine en zodat belangrijke stoffen in de juiste hoeveelheid in het bloed gehouden worden. De nieren hebben een grote reservecapaciteit, waardoor de taken nog goed uitgevoerd kunnen worden als een deel van de nieren beschadigd is. 

Lees verder

We spreken van nierfalen als meer dan 75% van de nieren niet meer werkt.  De nieren kunnen dan niet goed meer functioneren en kunnen er symptomen optreden van nierfalen. Nierfalen is als het creatininegehalte in het bloed verhoogd is. Dit kan door een nierziekte of ander nierprobleem, zoals nierstenen. Met name bij oudere katten zien we vaak nierproblemen.

Symptomen nierfalen

  • Slechte eetlust
  • Vermageren
  • Meer drinken dan normaal
  • Meer plassen
  • Braken en/of diarree
  • Slechte adem
  • Minder actief
  • Uitdroging
  • Onverzorgde vacht

Nierfalen kan acuut ontstaan of kan chronisch zijn: bij acuut nierfalen is in korte tijd de nierfunctie snel afgenomen. Soms plassen honden of katten met acuut nierfalen meer dan normaal, soms is de urineproductie juist volledig gestopt (bijvoorbeeld bij een plaskater). Bij chronisch nierfalen is de nierfunctie al langere tijd slecht. Acuut nierfalen heeft vaak een betere prognose dan chronisch nierfalen (schrompelnieren).

Oorzaak nierfalen

De oorzaak van nierfalen is zeer divers. Aangeboren afwijkingen komen voor, maar meestal ontstaat nierfalen op oudere leeftijd. Veel voorkomende oorzaken zijn:

leeftijdsgebonden veranderingsprocessen (de 'normale' ouderdom), bacteriële of virale infecties, hoge bloeddruk, immunologische oorzaken, tumoren, gifstoffen (bijvoorbeeld eten van giftige planten) en aangeboren erfelijke nierafwijkingen.

Diagnose

De diagnose kan worden gesteld op basis van bloed- en urineonderzoek. In het bloed worden de ureum- en creatininewaarden bepaald. Aanvullend kunnen er andere bloedbepalingen uitgevoerd worden, zoals bepaalde elektrolyten. In de urine wordt gekeken naar de mate van concentratie (het soortelijk gewicht) en te veel verlies van eiwit.

Ook bloeddrukmeting en echografie van de nieren kunnen een aanvullende functie hebben in de diagnostiek van nierproblemen.

Er is een nieuwe test beschikbaar om in een vroeg stadium nierfalen te diagnosticeren. Deze test heet SDMA. SDMA is een aminozuur dat normaal gesproken alleen wordt uitgescheiden via de nieren. Het is daarom een goede graadmeter voor de doorbloeding van de nieren en dus voor de nierfunctie. 

Behandeling

Afhankelijk van de bloeduitslag zullen we een aantal stappen ondernemen:

  •  Infuustherapie: Bij ernstig nierfalen kan ervoor gekozen worden de kat of hond gedurende 24-72 uur te spoelen. Uw dier wordt hiervoor opgenomen in onze kliniek en krijgt een infuus. Geforceerd worden de nieren gespoeld. Na 24-72 uur wordt opnieuw bloed genomen om de mate van verbetering vast te stellen. Eventuele afwijkingen in zoutgehaltes (natrium, kalium) kunnen met dit infuus worden gecorrigeerd. 
  • Nier-dieet: Dit dieet is speciaal geschikt voor honden en katten met nierfalen. Het bevat minder zouten, minder fosfaat en minder eiwit. De voeding is verkrijgbaar in brokjes, vlees of brokjes in saus.
  • Medicatie
  • Bloeddrukverlagers bij een verhoogde bloeddruk
  • Fosfaatremmers. Deze kunnen worden gegeven bij een te hoog fosfaatgehalte in het bloed. Nier-diëten houden hier meestal ook al rekening mee
  • Antibraakmiddel, tegen eventueel braken en tegen de misselijkheid.

 Nierfalen is helaas niet te genezen. Het proces is echter wel te vertragen en we kunnen er met bovenstaande therapieën voor zorgen dat het leven van uw hond of kat zo aangenaam mogelijk is. Het is bovendien goed om op regelmatige basis de nierfunctie te blijven controleren om de therapie daar waar nodig bij te sturen.

Preventieve zorg (parasieten/vlooien/ontwormen)

Vlooien zijn een veel gezien probleem. Bij menig kat en hond op consult worden deze kleine bloedzuigende parasieten gezien. Soms tot grote schrik van de eigenaar en zelfs bij nette maandelijkse behandeling (vaak met een niet goed werkend middel). Sommige middelen die op de markt zijn, werken niet goed meer doordat er resistentie is opgebouwd. Bij de dierenarts zijn de nieuwste en meest effectieve vlooienmiddelen beschikbaar. Naast de hond en de kat kunnen konijnen, fretten en ook de mens gebeten worden door vlooien.

Vlooien bij de kat

Er zijn 2 vlooien die problemen geven, de honden- en de kattenvlo. In de praktijk is het de kattenvlo die het meest gezien wordt (ook bij de hond). Na besmetting en een bloedmaaltijd van uw huisdier legt de vrouwelijke vlo haar eitjes (tot 50 per dag) en deze komen in uw huis terecht. De eitjes komen uit en de larven leven van schilfers en ontlasting van de volwassen vlo. Na enkele weken verpopt de larve zich, in dit stadium kan de larve tot 1 jaar overleven. Onder invloed van trillingen (wanneer u of uw huisdier langsloopt) ontpopt de volwassen vlo zich en gaat op zoek naar een nieuwe gastheer. Een groot gedeelte van een vlooienleven speelt zich dus niet af op uw huisdier, maar in de kieren en kleden van uw huishouden. Het is dan ook zo dat maar 5% van de vlooienpopulatie zich in de volwassen stadia bevind, oftewel 95% zit in uw huis.

Je vindt niet altijd levende volwassen vlooien op uw huisdier, maar dit wil niet zeggen dat ze niet aanwezig zijn. Soms vind je alleen de vlooienontlasting in de vacht in de vorm van zwarte korreltjes. De meeste huisdieren ervaren heftige jeuk. Bij de kat zien we echter regelmatig dat ze  minder jeuk lijken te hebben, maar er korstjes en kale plekken op de huid aanwezig zijn.  

Redenen om de vlooien te bestrijden:

  • Jeukklachten: vlooien kunnen veel jeuk en overlast veroorzaken bij uw huisdier. De vlooien bijten voor een bloedmaaltijd en dit ervaart uw huisdier als vervelend. Soms springt of hapt uw hond of kat alsof ie gebeten wordt.
  • Wormen: vlooien zijn tussengastheer voor de lintworm. Als een hond of kat een besmette vlo opeet (door te likken en happen in de vacht) kan hij/zij zichzelf besmetten met lintwormen. Kinderen kunnen ook op deze manier besmet raken.
  • Vlooienallergie: sommige dieren zijn extra gevoelig voor het speeksel van vlooien. Bij deze dieren ontstaat een heftige reactie op soms maar enkele vlooienbeten. Deze dieren krabben zichzelf helemaal kapot.  Hier is alleen een vlooienmiddel niet voldoende en moet ook de jeuk en soms de wonden worden behandeld.

Stappenplan voor een effectieve vlooienbestrijding: 

  • Gebruik een werkzaam middel
  • Houdt u aan de bijsluiter
  • Alle dieren in huis (honden, katten en soms konijnen)
  • Voor het juiste gewicht
  • Stofzuig uw huis goed en was de kleedjes
  • Bij een uitbraak MOET ook het huis behandeld worden (indoor spray).

Wormen bij de kat

De meest voorkomende wormsoorten bij de hond en de kat binnen Nederland zijn de spoelworm (Toxocara Canis) en de lintworm (Dipylidium caninum cati). Niet van alle wormen is iets terug te vinden in de ontlasting, dus ook op het oog normale ontlasting kan wormen of wormeieren bevatten.

Spoelwormen bij hond en kat

Het grootste deel van de levenscyclus van de spoelworm speelt zich af in het lichaam van het dier (dunne darm, lever en longen). Het enige wat je van buiten soms ziet, is de volwassen spoelworm in het braaksel of ontlasting. Deze wormen zien eruit als spaghettislierten en zijn tot 18 centimeter lang bij de hond en tot 10 centimeter lang bij de kat. De eitjes in de ontlasting zijn niet met het blote oog te zien.

Uw huisdier kan zich besmetten door eitjes uit de omgeving te eten (ontlasting van een besmet dier) of door het opeten van een besmet prooidier (kleine knaagdieren). Pups kunnen al besmet raken in de baarmoeder en zowel pups als kittens kunnen besmet raken via de moedermelk (fig. 1). Als laatste zijn de eitjes uit de ontlasting besmettelijk voor de mens, vooral voor kinderen en zwangere vrouwen is dit een groot risico. Uit onderzoek blijkt dat 10% van de Nederlandse bevolking ooit een spoelworminfectie heeft doorgemaakt.

Bij volwassen dieren merk je vaak weinig van een spoelworminfectie. Ze vormen echter wel een bron van infectie voor de omgeving. Bij jonge dieren kunnen de gevolgen echter groter zijn. Diarree, hoesten, zwakte, dikke buikjes en afvallen zijn symptomen die vaak gezien worden. Een heftige onbehandelde spoelworminfectie bij een jong dier kan zelfs de dood tot gevolg hebben. Bij de mens maken de larven die uit de eitjes komen een trektocht door het lichaam. Ze kapselen zich in op verschillende plekken in het lichaam met kleine ontstekingsreacties en vage klachten als gevolg.

Lintwormen bij de hond en de kat

Ook de lintworm leeft in de dunne darm. De lengte kan verschillen van enkele centimeters tot meer dan een meter. De worm bestaat uit een kop met daarachter een groot aantal kleinere segmenten (proglottiden). Deze segmenten zijn gevuld met eitjes en laten na rijping los. De proglottiden kunnen zelfstandig uit de anus kruipen en kunnen zichtbaar zijn in de ontlasting en in de haren rond de anus. Wanneer ingedroogd zien ze eruit als rijstkorrels. De lintworminfectie kunt u als eigenaar dus wel thuis vaststellen.

De lintworm wordt via een gastheer opgenomen. Meestal zijn dit besmette vlooien of luizen (fig. 2). Na besmetting kan ontsteking van de darm, braken en diarree het gevolg zijn. Door irritatie van de anus wordt soms schuren met het achterwerk over de grond gezien. Bij het opeten van de eitjes of segmenten kunnen kinderen zichzelf besmetten, de gevolgen hiervan zijn echter minder groot dan bij spoelworminfecties.

Waarom is regelmatige ontworming noodzakelijk?

Het is van groot belang voor de hond en de kat maar ook voor de volksgezondheid en vooral voor kinderen om uw huisdier zo veel mogelijk wormvrij te houden. Met een frequente ontworming van pups en kittens en een vierjaarlijkse ontworming van volwassen dieren draagt u gemakkelijk bij aan een goede bescherming van uw huisdier en uw gezin.

Het larvale stadium van de spoelworm (stadium na opname en uitkomen van het eitje, fig. 1) is over het algemeen minder gevoelig voor de gebruikte wormmiddelen. Met de ontworming pakt u dus alleen het volwassen stadium van de spoelworm ‘de worm zelf’ aan. Wanneer u na ontworming een grote hoeveelheid spoelwormen in de ontlasting ziet zitten, is het aan te raden om na 3-4 weken de ontworming te herhalen. Dit om de larven, die dan inmiddels volwassen wormen zijn geworden, alsnog te doden.

Ontwormingsadvies

Gebruik een middel wat werkzaam is tegen de te behandelen wormen en waar nog geen resistentie van bekend is. Zo worden bijvoorbeeld niet met alle middelen tegen de lintworm ook de spoelwormen gedood. De middelen die wij op de praktijk adviseren zijn Milbactor en/of Drontal. Beide middelen zijn werkzaam tegen spoel- en lintwormen. Naast deze wormen is Milbactor ook geregistreerd voor hartwormen (een parasiet die in het buitenland van belang is) en Drontal voor haak- en zweepwormen (minder vaak voorkomende wormen).

 Ook wanneer uw huisdier niet buitenkomt, is het van belang om uw huisdier regelmatig te ontwormen. Er is namelijk altijd (indirect) contact met de buitenwereld. Bijvoorbeeld door uw straatschoeisel, bezoek, zand en stof met de wind. De besmettelijke eitjes zijn zo klein dat ze niet met het blote oog gezien kunnen worden.

Ontwormingsschema (advies van faculteit diergeneeskunde) :

  • Pups: op 2, 4, 6 en 8 weken, daarna elke maand tot 6 maanden
  • Kittens: op 4, 6 en 8 weken, daarna elke maand tot 6 maanden
  • Volwassen dieren: 4 keer per jaar
  • Bij aanwezigheid van zwangere vrouwen en kleine kinderen vaker ontwormen (minstens 4 keer per jaar, liefst elke maand)
  • Teven en poezen voor de dekking 1 keer ontwormen en na de bevalling nogmaals.

 Hygiëne :

  • Zandbakken afdekken zodat honden en katten er niet in kunnen
  • Persoonlijke hygiëne na spelen in de zandbak of tuinieren
  • Regelmatig reinigen kattenbak met kokend water
  • Regelmatig reinigen van de ligplaatsen van uw huisdier (vloer, mand, kleed)

Voor advies op maat: neemt contact op met onze Dierenkliniek.

Schildklier

Hyperthyreoïdie: een te snel werkende schildklier bij de kat

De schildklier bij de kat bestaat uit 2 klieren die in de hals aan beide kanten van de luchtpijp liggen.

Lees verder

De belangrijkste taak van de schildklier is het produceren van een hormoon, schildklierhormoon, ook wel T4 genoemd. Dit hormoon regelt de snelheid van de stofwisseling en dus ook de snelheid in vraag en verbruik van voedingsstoffen. Katten hebben bijna altijd een te snel werkende schildklier, met productie van teveel hormoon. Deze hyperfunctie komt het meest voor bij katten ouder dan 10 jaar.

Welke klachten kan een te snel werkende schildklier geven?

  • Vermageren, ondanks een goede/toegenomen eetlust
  • Braken
  • Hyperactiviteit, veel miauwen, rusteloosheid, soms hijgen
  • Op koude plekken liggen
  • Vachtveranderingen: mottige vacht
  • Soms meer drinken
  • Overbelasting van de hartspier, verhoogde bloeddruk, verhoogd risico op nierfalen, verhoogde belasting van de leverfunctie.

 Hoe komen we erachter dat katten een te snel werkende schildklier hebben?

 Vaak is het de combinatie van een aantal factoren; de meeste katten hebben een aantal van bovenstaande klachten. Bovendien is vaak bij klinisch onderzoek door de dierenarts een vergrote schildklier in de hals te voelen.

Vervolgens wordt in overleg met de eigenaar een bloedonderzoek gedaan, waaruit van de snel werkende schildklier wordt vastgesteld. De bloedtest bestaat uit een  lever-nier-glucosetest (om andere ziektes uit te sluiten), aangevuld door een T4-test. Deze testen kunnen wij op de praktijk in Leiderdorp uitvoeren, zodat u meestal dezelfde dag nog een uitslag heeft.

De normale T4-waarde ligt tussen 13-52 nmol/l, waarden hierboven wijzen op hyperfunctie.

 Behandelmogelijkheden

  • Medicijnen: 2 maal daags worden er schildklier remmende medicijnen gegeven; deze behandeling is geschikt voor alle dieren die eenvoudig medicijnen tot zich nemen. Dit is belangrijk want dit moet levenslang gebeuren. Met een bloedonderzoek na 4 weken én na afgesproken momenten controleren we of de medicijnen goed aanslaan en of de dosering goed is ingesteld.
  • Behandeling met radioactief jodium: vooral geschikt voor de wat jongere katten met schildklier problemen en de moeilijke tabletjes slikkende dieren. Aan deze behandelmethode zit een aantal  voor- en nadelen, maar deze behandeling wordt momenteel gezien als de beste behandeling voor de kat. Voor advies over deze methode kunt u bij ons terecht; wij sturen u dan, na overleg, door naar de enige in Nederland gespecialiseerde en geautoriseerde kliniek in Lienden of naar België, Universiteit Gent.
  • Jodiumvrije voeding: speciaal ontwikkelde voeding met minder jodium. Zonder jodium kan de kat geen schildklierhormoon aanmaken. De kat moet het wel levenslang willen eten en er mag echt niks anders gevoerd worden, ook geen snoepjes of muizen van buiten....Verder zijn regelmatige bloedcontroles nodig, want bij onvoldoende resultaat zal een andere therapie gekozen moeten worden.

Tot slot
Een te snel werkende schildklier bij de seniorkat is bijna altijd goed te behandelen. Een gemotiveerde eigenaar is vaak de belangrijkste factor in het slagen van de behandeling. Graag helpen wij u verder op de praktijk om de beste behandeling  voor uw kat te bespreken.

 

Suikerziekte

Diabetes mellitus, oftewel suikerziekte, komt niet alleen bij de mens voor, maar ook bij honden en katten. Bij suikerziekte maakt het lichaam te weinig van het hormoon insuline aan. Insuline zorgt voor de opname van suiker in de lichaamscellen. Als er te weinig of geen insuline wordt aangemaakt, dan blijft er te veel suiker in het bloed zitten en komt er te weinig suiker in de lichaamscellen. Dat geeft allerlei klachten. We hebben dan te maken met Diabetes Mellitus.

Lees verder

De oorzaken van het ontstaan van suikerziekte:

Er zijn twee types diabetes: type 1 en type 2.

  • Bij type 1 suikerziekte zijn/worden de insuline-producerende cellen van de alvleesklier (bèta-cellen) door het eigen lichaam vernietigd. Hierdoor wordt er geen of te weinig insuline geproduceerd. Dit type diabetes is aanwezig bij ruim 50% van de honden met suikerziekte en wordt vooral gezien bij honden van middelbare of oudere leeftijd. Het komt minder vaak voor bij katten.
  • Bij type 2 suikerziekte, reageren de lichaamscellen slechter op insuline. Dit zien we bijvoorbeeld bij katten met overgewicht. Type 2 komt bij honden niet voor.

 Andere mogelijke oorzaken van diabetes mellitus zijn:

  • Genetische aanleg: sommige rassen, zoals Poedels, Cairn Terriers, Keeshonden en Siamese en Birmese katten, hebben een genetische aanleg voor diabetes mellitus.
  • Andere zieketen: o.a. het syndroom van Cushing bij de hond, waarbij de bijnieren teveel cortisol aanmaken. Dit hormoon vermindert de gevoeligheid van cellen voor insuline.
  • Leeftijd: suikerziekte ontstaat meestal pas op oudere leeftijd.
  • Geslacht: diabetes mellitus komt vaker voor bij intacte teven dan bij reuen. De oorzaak hiervan is dat de eierstokken na elke loopsheid het hormoon progesteron afgeven. Progesteron kan leiden tot een verhoogde productie van groeihormoon, da de werking van insuline tegengaat.
  • Lichaamsgewicht: overgewicht geeft een verhoogd risico op het ontstaan van suikerziekte.
  • Geneesmiddelen: bepaalde medicijnen, zoals langdurig gebruik van prednison en de pil of antiloopsheid injectie kunnen suikerziekte veroorzaken.

 Symptomen van suikerziekte

  • Meer drinken
  • Meer plassen
  • Veel eetlust/honger. Later kan de eetlust verminderen als de hond of kat zieker wordt doordat er geen of geen goede behandeling ingesteld is
  • Gewichtsverlies
  • Braken (in een later stadium)
  • Lusteloos, sloom
  • Staar (bij langdurig slecht gereguleerde suikerziekte, ook wel cataract genoemd, wordt de lens troebel). Bij de kat is dit zelden het geval
  • Gevoeliger voor urineweginfecties
  • Een ketotische mondlucht. Ketonlichamen worden gevormd bij suikerpatiënten vanuit vetten. Deze geven een mondlucht die het meest lijkt op aceton
  •   In een later stadium van de suikerziekte treden zwakte, traagheid, diarree en braken op. Zwakte is vooral te zien aan de achterpoten, waarbij katten soms doorgezakt met hun hakken op de grond lopen.

 Diagnose van suikerziekte

De diagnose van suikerziekte kan gesteld worden aan de hand van de symptomen. Om de definitieve diagnose te stellen, is bloedonderzoek essentieel. In het bloed vinden we een verhoogd suikergehalte. Ook bevat de urine glucose.

Indien blijkt dat er bij de kat te veel glucose in het bloed aanwezig is, dan bepalen we de Fructosamine in het bloed. Fructosamine is een eiwit in het bloed dat onder invloed van insuline geglycosyleerd (een verbinding met suiker) wordt. Fructosamine stijgt als er gedurende een langere periode een hoog suikergehalte in het bloed is. Dit is het bewijs dat er sprake is van suikerziekte en niet het suikergehalte verhoogd is door stress tijdens het dierenartsenbezoek. Met name katten kunnen onder invloed van stress snel een verhoogd suikergehalte krijgen.

De behandeling van suikerziekte

  •  Insuline: de insuline wordt 2x per dag kort na de maaltijd per injectie toegediend. Dit kan door middel van het toedienen van Caninsulin met een spuitje en een naaldje. Maar er is sinds enige tijd ook een speciale insuline pen (VetPen) verkrijgbaar. Wij zullen u uitleggen en laten oefenen hoe u de injecties kunt toedienen. De insuline bewaart u in de koelkast
  • Aangepaste voeding
  • Gecontroleerde lichaamsbeweging
  • Overgewicht aanpakken
  • Dagelijkse regelmaat
  • Behandeling onderliggende oorzaken (bijvoorbeeld ziekte van Cushing, sterilisatie van de teef)
  • Vooruitzichten

Meestal kan een regelmatig leefpatroon en de behandeling met insuline tot een vrijwel normaal leven leiden. De levensverwachting van een goed ingestelde hond of kat met suikerziekte hoeft dan ook nauwelijks afwijkend te zijn van die van een dier zonder deze ziekte.

Vaccinatie

Tegen een aantal infectieziekten wordt al meerdere jaren zowel bij de hond als de kat succesvol gevaccineerd. Een vaccin stimuleert het lichaam om antilichamen aan te maken tegen de gevaccineerde ziekte. Hierdoor wordt de kans dat uw huisdier ziek wordt, wanneer hij met de echte ziekte in contact komt, een stuk kleiner. Het geeft echter nooit 100% bescherming. Mocht uw huisdier wel besmet raken met de ziekte, dan zal in het algemeen de ziekte minder heftig verlopen.

Lees verder

Er wordt veel besproken of we wel of niet moeten vaccineren. Hierop is het antwoord kort en bondig: absoluut wel vaccineren. We komen elk jaar nog enkele honden tegen met de Ziekte van Weil of Parvo met helaas niet altijd een even goede afloop. De honden waar we dit bij aantreffen zijn eigenlijk altijd niet goed gevaccineerde honden (mede uit het buitenland). Bij de kat is vooral niesziekte een ziekte die veel voorkomt. Wanneer dit chronisch wordt, is de kat voor de rest van zijn leven verkouden (chronische snotneus, chronische oogklachten, niezen). Zelfs een binnenkat loopt risico omdat het virus via schoenen en kleding van buiten kan worden meegenomen.

Een puppy wordt opgestart met 3 entingen (vaak 1 bij de fokker op 6 weken leeftijd) en een kitten met 2. Beide met tussenpozen van 3 weken. Na de puppy-en kitten-entingen is het vervolg jaarlijks. Niet alle entstoffen hoeven jaarlijks herhaald te worden. De benodigde enting kan dus per jaar verschillen.

Een niet onbelangrijk deel van de entingen is de jaarlijkse controle. Bij de enting wordt de hond/kat altijd nagekeken. Op de kliniek wordt naar het hart geluisterd en het gebit wordt gecontroleerd. Ook het gewichtsverloop is belangrijk. Overgewicht kan sneller aangepakt worden en afvallen of ouderdom sneller opgemerkt en behandeld.

  • Entingen die alleen op indicatie gegeven worden:
    Kennelhoest: belangrijk bij puppy’s en wanneer de hond naar het pension/show gaat.
  • Rabiës: verplicht wanneer uw huisdier mee naar het buitenland gaat.
  • Bordetella: voor sommige kattenpensions verplicht.

Vaccinatieschema

Hond:

  • 6, 9 en 13 weken (D,H,P, Weil) en kennelhoest (Rabiës)
  •  1 jaar (D,H,P en Weil) en kennelhoest
  • 2 jaar enkel Weil
  • 3 jaar enkel Weil (Rabiës)
  • 4 jaar (D,H,P en Weil)
  • 5 jaar enkel Weil
  • 6 jaar enkel Weil (Rabiës)
  • 7 jaar (D,H,P en Weil), enz.

 Rabiës is enkel verplicht als u met uw hond/ kat naar het buitenland reist.

Kat:

  • 9 en 12 weken (Kattenziekte en Niesziekte) (Rabiës)
  •  1 jaar (Kattenziekte en Niesziekte)
  • 2 jaar (Niesziekte)
  • 3 jaar (Niesziekte)
  • 4 jaar (Kattenziekte en Niesziekte) (Rabiës)
  • 5 jaar (Niesziekte), enz.

Vaccicheck / titeren

Wij bieden de mogelijkheid om door middel van een bloedtest voor de hond te bepalen wat zijn/haar immuunstatus is ten opzichte van de te enten stoffen. Zo kunnen we heel gericht kijken wat wel en wat niet gevaccineerd moet worden op dat moment. Deze test bepaalt of het dier nog voldoende antistoffen in het bloed heeft tegen Hondenziekte (Distemper), Parvo, Hepatitis (Adenovirus) en Rabiës. Voor Leptospirose (ziekte van Weil) en voor Kennelhoest kan het niet.

Hoe kan de titer verhoogd worden?

Tegen de meeste ziektes wordt tegenwoordig gevaccineerd. Door de vaccinatie krijg je een toename van de antistoffen en zo dus betere bescherming tegen ziektes. De titer gaat stijgen door vaccinatie.

Er is wel verschil tussen verschillende vaccinaties. Zo is het vaccin tegen hondsdolheid (Rabiës) bijvoorbeeld heel erg goed. Deze geeft een titer-stijging die 3 jaar voldoende hoog blijft. Dit betekent dat er maar eens per 3 jaar gevaccineerd hoeft te worden tegen rabiës. Tegen de ziekte van Weil is de bescherming slechts 12 maanden. Deze moet voor een goede bescherming elk jaar herhaald worden.

Wij houden goed in de gaten welk vaccin de beste bescherming biedt en zo kunnen wij vaccinatie op maat aanbieden.

Wanneer is het zinvol een titerbepaling van antilichamen te laten doen bij uw hond?

  • Honden die bij eerdere vaccinatie (over)gevoelig hebben gereageerd
  • Bij zieke honden, die men op dat moment liever niet vaccineert
  • Indien de eigenaar vóór de vaccinatie wil weten of de hond nog voldoende hoge antistoffen (antilichamen) heeft, waardoor een eventuele onnodige vaccinatie wordt voorkomen
  • Voor de Ziekte van Weil (Leptospirose) en Besmettelijke Hondenhoest (Kennelhoest) kan nog geen titerbepaling worden gedaan. Wij adviseren uw hond jaarlijks tegen deze beide ziektes te laten enten.